IM Bert
Geplaatst op dinsdag 4 februari 2020 door Ad van 't Hoenderdal

Eind jaren 1970, ik had net bridgen geleerd. Geen cursus, maar in het café, een Leeuwarder kroeg waar veel werd geklaverjast door de echte kaarters en getoept door de gokkers. Daar kwamen ook kaartspelers die me wel even bridge zouden leren.

Ik verkeerde nog in het stadium dat ik me voor elk spel moest inprenten dat je niet met boer-nel de troeven kon ophalen, terwijl ik de neiging slagen die ik maakte naar mezelf toe te harken amper kon onderdrukken, toen een van die bridgers me aanschoot, zei dat zijn maat had afgebeld en me vroeg in te vallen.

Leuk, zei ik, om er pas bij hem in de auto achter te komen dat we helemaal naar Hoogeveen moesten. Voor een kwartfinale Interpolis, maar dat begreep ik pas veel later.

 

Veel herinner ik er niet van, maar één ding staat me nog helder voor de geest. We speelden tegen een paar waarvan de helft links van mij bestond uit een mollige jongeman met Boris Johnson-haar. Hij was in een felle discussie verwikkeld met zijn partner. Die leek te begrijpen wat hij zei, wat me verbaasde, want ik verstond werkelijk geen syllabe van de zinnen die hij met mitrailleursnelheid uitstootte.

 

Na een paar spellen die ons, zo las ik aan het gezicht van mijn partner af, niet veel opleverden, opende ik in het laatste 1 sans, hoorde (we boden nog oraal) mijn partner 2 klaveren zeggen, kon er niet opkomen wat dat ook alweer was, en bood maar 3 sans.

Bert Kranenborg, want die was het, kwam uit met een kleine schoppen. De dummy had ªHxx, ©Axxx, ¨xx, §Vxxx, ik ªB10, ©Hxxx, ¨AVBxxx, §A. Nee, niet zeggen dat ik geen sans-opening had, ik had er wél de punten voor. Half goed dus, al heel wat voor mij in die tijd.

Die ruiten, die moet ik snijden, dacht ik en als het even kan twee keer. Ik liet ªH bijspelen, die hield. Ruiten naar de vrouw, hield ook. Harten naar het aas en weer ruiten, naar de boer. Bert bekende nog en dus had ik nu zes ruitenslagen. Ik nam ze allemaal mee, zag onderweg rechts een harten afgooien, incasseerde ©H, links ©V, rechts ©B, nam ook die andere twee hartenslagen en §A mee en stond de laatste slag af aan ªA.

Na een kort salvo van onverstaanbare klanken richting zijn partner, begon Bert te lachen, klopte mij op de schouder, zei: topje voor jullie, mooi gedaan hoor. Ja, dat verstond ik wel.

 

Na afloop bleek dat zowel hij als wij ons geplaatst hadden voor de halve finale in Utrecht. Nou ja, wij, mijn partner vroeg me niet om ook daarheen te gaan. We dronken nog wat. Bert vroeg me - twee keer, de tweede keer op mijn verzoek langzamer sprekend dan de eerste - hoe lang ik al bridge speelde. Een paar weken, zei ik. Mooi spel, hé? Jazeker. Nou, bang ben je niet. Heeft met moed niks te maken, zei ik, wat ik hier deed was door een mijnenveld wandelen met een blinddoek van onwetendheid om. Als we elkaar weer eens treffen en je hebt wat bijgeleerd, spreken we een toernooitje af, zei hij. Dat hebben we een paar jaar vaak herhaald, tijdens die ontelbare hoeveelheid toernooitjes die we destijds afliepen. Dat we eens een keertje moesten afspreken, bedoel ik, want op de een of andere manier kwam het er nooit van. Nog weer later was hij het niveau ontstegen waarop ik me bewoog en kwam het er helemaal niet meer van.

Maar ik zag en sprak hem regelmatig, als hij kwam kibitzen bij de tweede divisie bijvoorbeeld. Ik begon zelfs hem min of meer te verstaan.

 

Toen kwam dat vreselijke nieuws van die ziekte, eerst nog raadselachtig, later die fatale diagnose. Ilja, zijn vrouw en mijn collega, hield me op de hoogte. Van Zeerobbers hoorde ik dat ze Bert, zo lang het nog kon, naar de bridgetafel hielpen. Daar mag De Zeerob trots op zijn. Wij bridgers worden er terecht nogal eens van beticht alles wat, en iedereen die er werkelijk toe doet in de wereld geheel te vergeten als de vraag wordt opgeworpen of je nu wel of niet kon zien dat je harten moest naspelen in die drie sans, maar De Zeerob toonde mededogen en spande zich in om Bert tot het laatst plezier te bezorgen.

 

Na het Groninger Butlertoernooi, begin dit jaar, bezocht ik hem nog, samen met Rienk, Wilma en Harry Burmania. Hevig ontroerd verlieten we het verpleeghuis. Door Berts toestand, maar ook door de liefdevolle wijze waarop Ilja Bert terzijde stond en door hoe Bert, nauwelijks nog tot spreken in staat, met zijn blikken en oogopslag liet blijken hoezeer hij dat apprecieerde.

 

Bridge is a dying game, zegt mijn partner soms. Dat zal wel, gezien de statistieken, maar het valt als nuchtere constatering in het niet bij de treurige wetenschap dat Bert er niet meer is.

 

Hans van der Heijde